Het Gilde van Werkgebouwen aan het IJ

Het Gilde van werkgebouwen aan het IJ is in 1993 opgericht als reactie op Manhattan aan het IJ: de grootschalige herontwikkeling van de IJ-oevers door de gemeente Amsterdam en een consortium van projectontwikkelaars en banken (nu de Zuidas). De oprichters van het Werkgebouwengilde zijn oud-bewoners en kunstenaars uit twaalf voormalige kraakpanden aan het IJ. Doel was en is de cultuurverschraling in Amsterdam op een constructieve manier tegengaan.

Het Werkgebouwengilde heeft onderzoek gedaan naar herontwikkeling van afgeschreven industrieel vastgoed en hét nieuwe model voor stadsontwikkeling ontwikkeld, gepresenteerd in het manifest De Stad als Casco in 1996 en een jaar later verder uitgediept in het boek Het Kerend Tij. Het manifest en het boek samen vormen tegenwoordig de blauwdruk voor moderne stadsontwikkeling: een bottom-up methode van stadsvernieuwing door en voor omwonenden en gebruikers.

Daarnaast heeft het Werkgebouwengilde verschillende bewonersinitiatieven en cultuurorganisaties bijgestaan bij het realiseren van hun broed- en/of vrijplaats. Succesvolle initiatieven die in samenwerking met het Werkgebouwengilde tot stand gekomen zijn, zijn Plantage Dok, Het Veem, Pakhuis Wilhelmina, OT301 en, wellicht de bekendste, de NDSM-werf, waarbij aan de hand van het model ‘De Stad als Casco’ de Kunststad is vormgegeven.

Eva is sinds 1997 nauw betrokken bij het Gilde van Werkgebouwen aan het IJ, als gebruiker van twee van de Gilde-panden en als pleitbezorger van het gedachtegoed. Zij verzorgt sinds 1997 de woordvoering, coördineert hoorzittingen, demonstraties en culturele manifestaties en is verantwoordelijk voor de lobby bij de gemeente, die geleid heeft tot het broedplaatsenbeleid.  Sinds 2006 is zij voorzitter van het Werkgebouwengilde.

In de twintig jaar van zijn bestaan heeft het Gilde van Werkgebouwen aan het IJ het cultuurbeleid van de gemeente sterk beïnvloed. Mede door de inspanningen van het Werkgebouwengilde is er nu een gemeentelijk Broedplaatsenbeleid met een passend budget en een normale, zakelijke verstandhouding tussen cultuurpanden, autonome kunstenaars, gemeente en woningcorporaties.